Reactie op de pensioenhervormingen van de regering Michel I

Tekst: Luk De Vos
LBV-werkgroep Beleidsparticipatie, januari 2015

Inhoud

  1. Geen integratie van de stelsels
  2. Een puntensysteem
  3. De pensioenleeftijd 
  4. De eenheid van loopbaan
  5. De pensioenbonus
  6. Zware beroepen
  7. Gelijkstellingen
  8. De minimumpensioenen
  9. Toegelaten arbeid 
  10. De gezinsdimensie
  11. Hervorming overlevingspensioen 
  12. Een indexsprong voor de pensioenen
  13. Nationaal Pensioencomité
  14. De financiering van de wettelijke pensioenen
  15. De solidariteitsbijdrage
  16. Het aanvullend pensioen 

1. Geen integratie van de stelsels

Reactie:
We stellen vast dat de regering, in navolging van de Expertencommissie, zich niet durft uitspreken voor een streven op lange termijn naar een volledige integratie van de drie stelsels. We betreuren dit.

In elk geval is het zo dat niet alleen omwille van het gegeven dat de gemengde loopbanen in de toekomst steeds meer frequent zullen voorkomen, maar in de eerste plaats omwille van de nood aan een opheffing van bestaande ongerechtvaardigde en minste onbillijke verschillen, systematisch maatregelen moeten worden genomen in de richting van een geharmoniseerd pensioenstelsel.

De regering zet voorzichtige stappen in die richting maar zou nog verder kunnen gaan. De invoering van een puntensysteem en de stelseloverschrijdende beleidsadvisering in het nationaal Pensioencomité kunnen daartoe bijdragen. 

2. Een puntensysteem

Ten laatste in 2030 zal een puntensysteem ingevoerd worden voor de pensioenberekening. Het aantal punten zal afhangen van de verhouding tussen de eigen beroepsinkomsten en het gemiddelde beroepsinkomen, en van de lengte van de eigen loopbaan ten opzichte van de referentieloopbaan.

Reactie:
We staan niet afkerig tegen het voornemen van de regering om in navolging van de Expertencommissie te kiezen voor een puntensysteem. Zonder een doelstelling op zichzelf te zijn kan het inderdaad een hanteerbaarbaar instrument om de duur van de loopbaan te valoriseren en een meer duidelijke band te creëren tussen de duur van de loopbaan en het gemiddeld arbeidsinkomen van de actieven en de pensioenberekening zijn.

In principe zou een puntensysteem met vastlegging van de wijze waarop in de toekomst variabelen zullen verrekend worden, moeten zorgen voor meer toekomstzekerheid, voor een definitieve verankering van de koppeling van de verworven lonen en de loonplafonds aan de welvaartevolutie en voor minder adhoc beleidsinterventies. Al laat de Expertencommissie met de wiskundige berekeningsformule voor het vastleggen van de waarde van een punt ruimte voor elke regering om zich te beroepen op de noodzakelijke budgettaire neutraliteit om de delta-factor (de vervangingsratio) aan te passen. Ook met een puntensysteem is er dus geen sluitende toekomstzekerheid. En of dergelijk systeem kan verantwoord worden door te verwijzen naar meer transparantie en meer eenvoud voor de doorsneeburger durven we heel sterk betwijfelen. 

De regering doet er in elk geval wijs aan om voldoende tijd te nemen voor het verder onderzoeken van een aantal praktische alsook meer principiële onduidelijkheden. Zo is bijkomende studie nodig zowel over de consequenties van het organiseren van drie aparte puntensystemen voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren als over de invloed op de waardering van een punt van de economische conjunctuur op het ogenblik van de pensionering. 

3. De pensioenleeftijd 

De regering Di Rupo had reeds de minimumleeftijd voor het vervroegd pensioen verhoogd (vanaf 2013 met 6 maanden, en daarna met 6 maanden per jaar om in 2016 op 62 jaar te komen). Deze verstrenging zal aan hetzelfde ritme worden verder gezet (62,5 jaar in 2017 en 63 jaar in 2018). Zo stijgt de loopbaanvoorwaarde tot respectievelijke 41 jaar in 2017 en vervolgens 42 jaar in 2019. 

De wettelijke pensioenleeftijd verhoogt in 2025 tot 66 jaar. In 2030 wordt dit 67 jaar. 

Reactie:
We houden vast aan onze stelling dat de oplossing voor de vergrijzing niet moet gezocht worden in de optrekking van de wettelijke pensioenleeftijd maar dat alle inspanningen moeten gaan naar de noodzakelijke en snelle optrekking van de werkzaamheidsgraad van de 55plussers.

In elk geval kan geen sprake zijn van te gaan naar een lineaire koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting. De pensioenleeftijd moet prioritair afhankelijk te zijn van het aantal loopbaanjaren. 

Maar het zal uiteraard altijd nodig zijn om een bepaalde leeftijd vast te leggen waarop ook voor diegenen die niet aan de minimale loopbaanvereisten voldoen, de pensioenrechten geopend kunnen worden. Of die leeftijd op lange termijn naar 66 of 67 moet verhoogd worden is eigenlijk minder relevant op voorwaarde dat voor die bijkomende jaren binnen ons sociale zekerheidsstelsel de (inkomens)opvang van diegenen die niet meer actief kunnen zijn, wordt gewaarborgd met inbegrip van de gelijkstelling voor de pensioenberekening.

4. De eenheid van loopbaan

Het principe van de eenheid van loopbaan wordt progressief afgeschaft zodat wie langer dan 14.040 dagen werkt, pensioenrechten blijft opbouwen.

Reactie:
Eindelijk.

Volgens de huidige regeling wordt iemand die een langer werkt dan 45 jaar/14040 dagen, hiervoor helemaal niet beloond wordt. Dit is onrechtvaardig en heeft een ontradend effect voor diegenen die hun actieve loopbaan zouden willen verderzetten.

We zijn tevreden met het voornemen van de regering.

5. De pensioenbonus

De pensioenbonus wordt afgeschaft vanaf 1 januari 2015. 

Reactie:
We vinden deze beslissing volkomen absurd. 

De pensioenbonus werd in 2007 ingevoerd in het kader van het Generatiepact met de bedoeling meer mensen aan het werk te houden op het einde van hun loopbaan. De pensioenbonus biedt een stimulans aan wie langer actief wenst te blijven. In het regeerakkoord van 1 december 2011 werd nog beklemtoond dat de pensioenbonus zou hervormd worden om de positieve impact ervan te versterken. En dat gebeurde – zij het dan ontoereikend - met ingang van 1 januari 2014. Men zou dus eerder van de regering, die zo hamert op de noodzaak van langer werken, verwachten dat zij de pensioenbonus nog aantrekkelijker maakt dan dat zij zonder enige motivering overgaat tot een pure afschaffing. Begrijpe wie begrijpen kan! 

6. Zware beroepen

Er komen specifieke pensioenmaatregelen voor zware beroepen in de privésector en de openbare sector.

Reactie :
Niemand zal ontkennen dat niet iedereen dezelfde mogelijkheden heeft om een volwaardige klassieke loopbaan uit te bouwen. Verschillen qua werkomstandigheden, zelfsturing en vrijheid in de organisatie van het werk, monotonie van het werk, zwaarte van het werk, stress die daarmee gepaard gaat... zijn een realiteit. Deze problemen moeten maximaal aan de bron aangepakt worden, door hervormingen in de arbeidsorganisatie, competentiemanagement, persoonlijke ontwikkelingsplannen voor alle werknemers en het aanbieden van alternatieve loopbaanpaden.

Naast deze noodzakelijke aanpak aan de bron blijft het toch wel nodig om met deze loopbaanbelemmeringen ook rekening te houden op het pensioenmoment. De ervaring leert evenwel dat een oplijsting van “zware beroepen” een bijna onmogelijke opdracht is. De regering zou er moeten aan denken om deze verouderde notie in te ruilen voor een doelgroepdefinitie die uitgaat van specifieke en objectiveerbare risico’s. 

7. Gelijkstellingen

De gelijkstellingen en verschillen binnen de pensioenstelsels worden geharmoniseerd. 

Reactie:
Indien mensen getroffen worden door ziekte of invaliditeit, een arbeidsongeval, een beroepsziekte of door onvrijwillige werkloosheid dan is voor de loopbaanbere¬kening een gelijkstelling van die periodes met gewerkte periodes volkomen verantwoord. 

Een doorgedreven harmonisering en het opheffen van verschillen binnen de pensioenstelsels is evenwel noodzakelijk. We kunnen ons vinden in de afbouw van de diplomabonificatie en de afschaffing van het niet-gemotiveerd tijdskrediet. En we verheugen ons over de voorgenomen uitbreiding van het recht en de gelijkstelling voor het gemotiveerd tijdskrediet. 

8. De minimumpensioenen

Om de toegang tot het minimumpensioen te vergroten, zal de regering ervoor zorgen dat voortaan alle gewerkte of gelijkgestelde dagen, ongeacht het stelsel waarin ze gepresteerd worden, een recht zullen geven op een minimumpensioen, op voorwaarde dat minstens een bepaald minimum aantal dagen gepresteerd of gelijkgesteld wordt over de hele loopbaan. Zo zullen de nadelige gevolgen van een gemengde loopbaan werknemer-zelfstandige worden weggewerkt.

Reactie:
De toegang en het niveau van de minimumregelingen dient inderdaad gevoelig verbeterd en versterkt te worden. Dit is heel belangrijk in het bestrijden van de niet dalende inkomensarmoede bij ouderen. Maar ook de negatieve impact van het steeds strenger worden van de loopbaanaanrekening en van de uitholling van de afgeleide rechten (denken we maar aan laaggeschoolde vrouwen) speelt hierbij een rol.

We noteren met enige tevredenheid dat de regering er zal voor zorgen dat wie gedurende een volledige loopbaan voltijds heeft gewerkt, recht zal hebben op een minimumpensioen dat minstens 10 % hoger is dan de armoededrempel en dat ook de IGO wordt verder versterkt. Maar die toezeggingen zijn onvoldoende.

Op termijn moet het minimumpensioen voor een volledige loopbaan in de regeling voor werknemers ten minste gelijk zijn aan 90% van het gewaarborgd minimumloon voor een werknemer (voor de werknemers van 21 jaar). 

9. Toegelaten arbeid 

Personen die de wettelijke pensioenleeftijd of een loopbaan van 45 jaar of meer hebben bereikt, mogen voortaan onbeperkt bijverdienen. In het huidige systeem kan dat enkel wanneer men aan beide voorwaarden voldoet. 

De beroepsinkomsten uit toegelaten arbeid bij rustpensioen genereren geen bijkomend recht in het wettelijk pensioen. De huidige grenzen zullen behouden blijven in het geval van een vervroegd pensioen. De sanctie voor rust- en overlevingspensioen wordt in verhouding gebracht tot de overschrijding. 

Reactie:
We blijven voorstander van een beperkte cumulatiemogelijkheid van een pensioen met een inkomen uit arbeid, waarbij de sanctionering in verhouding is tot de overschrijding.

10. De gezinsdimensie

De regering zal tijdens deze legislatuur onderzoeken op welke manier een modernisering van de gezinsdimensie en een hervorming van afgeleide rechten in het pensioensysteem kunnen worden doorgevoerd. Er zal een wettelijke basis worden gecreëerd met voldoende lange overgangsperiodes en de inwerkingtreding van deze hervormingen vindt ten vroegste plaats op het moment van inwerkingtreding van het puntensysteem. In het bijzonder zal worden onderzocht hoe het gezinstarief in de stelsels van werknemers en zelfstandigen kan worden aangepast, hoe een pensioensplit van het wettelijk en aanvullend pensioen kan worden doorgevoerd bij gehuwde en wettelijk samenwonende koppels, hoe de berekening van het overlevingspensioen billijker kan worden gemaakt en in welke mate de rechten van wettelijk samenwonenden en gehuwden met elkaar in lijn kunnen worden gebracht.

Reactie:
Uitgaande van de vaststelling dat de opbouw van eigen rechten steeds belangrijker wordt gezien de evolutie van de maatschappij ( minder huwelijken, meer echtscheidingen, meer alleenstaanden)is het essentieel om de eigen rechten te versterken, zodat aan iedereen een menswaardig pensioen kan worden gegeven ongeacht de keuzes die men maakt in zijn/haar privéleven.

Dat de regering hier aandacht aan besteedt is positief maar spijtig genoeg blijft het bij een onderzoek en zit de kans erin dat er voor 2030 niets concreet gebeurt. Ook zonder koppeling aan een eventueel puntensysteem kunnen er reeds tijdens deze legislatuur maatregelen getroffen worden. Zo kunnen al zeker stappen worden gezet voor de invoering van een pensioensplit bij echtscheiding, het billijker maken van de berekening van het overlevingspensioen en de opbouw van rechten voor de wettelijk samenwonenden.

11. Hervorming overlevingspensioen 

De Regering Di Rupo had reeds de hervorming van de overlevingspensioenen ingezet. Zo wordt vanaf 2016 de minimumleeftijd voor de toekenning van het overlevingspensioen reeds geleidelijk opgetrokken: per jaar stijgt de leeftijd met 6 maand (van 45 jaar eind 2015 naar 50 jaar vanaf 2025). 

Het huidig regeerakkoord zet dit verder: Vanaf 2025 zal de optrekking van de minimumleeftijd verder opgetrokken worden naar 55 jaar met een jaar per kalenderjaar. 

Reactie:
Het voornemen van de regering om de minimumleeftijd voor een overlevingspensioen gefaseerd verder op te trekken ligt in de lijn van de ingezette hervorming. Wat de berekening betreft verwijs ik naar het vorige punt.

12. Een indexsprong voor de pensioenen

De regering verbindt er zich toe om minstens de loonhandicap met de buurlanden die sinds 1996 wordt waargenomen vóór het einde van de legislatuur weg te werken. Dit wordt onder meer concreet mogelijk door een indexsprong in 2015. Het mechanisme van de automatische indexering wordt niet op de helling gezet. Het kan eventueel verder worden hervormd.

Reactie:
Het wegwerken van de bestaande loonhandicap is een belangrijk gegeven om de concurrentiepositie van onze bedrijven te verbeteren. Op voorwaarde dat dit leidt tot de creatie van voldoende nieuwe jobs kunnen we begrip opbrengen voor het zoeken naar concrete maatregelen. Een eenmalige indexsprong zou daarin kunnen passen op voorwaarde dat dit samengaat met een aantal sociale correcties. Zo is het niet aanvaardbaar dat de pensioenen en de sociale uitkeringen in het algemeen, die amper volstaan om te ontsnappen aan het armoederisico, zouden moeten inleveren op koopkracht daar waar aan andere lagen van de bevolking geen inspanning wordt gevraagd.

We nemen akte van de belofte van de regering om het mechanisme van de automatische indexering niet op de helling te zetten maar blijven afwijzend voor eventuele hervormingen die niet zouden gebeuren in samenspraak met de sociale partners.

13. Nationaal Pensioencomité

De regering zal een adviserend Nationaal Pensioencomité oprichten, dat zal instaan voor de voortdurende en systematische opvolging van de sociale en financiële houdbaarheid van de drie stelsels. Het Nationaal Pensioencomité zal tripartite worden samengesteld.

Reactie:
Het is een goed idee om een platform te creëren voor het garanderen van de maatschappelijke betrokkenheid bij de opvolging en de bewaking van het globaal pensioenbeleid. De ouderenorganisaties dienen als betrokken partij de gelegenheid te krijgen om een volwaardige partner te zijn bij de uitwerking en de realisatie van een gemoderniseerd pensioenstelsel. We dringen daarom sterk aan op een aanwezigheid van de Federale Adviesraad voor Ouderen in dit Nationaal pensioencomité. Ook de Expertencommissie voorziet deze betrokkenheid.

14. De financiering van de wettelijke pensioenen

In het regeerakkoord wordt het thema van de financiering van de pensioenen niet als zodanig aangesneden. Wel wordt de nadruk gelegd op de positieve relatie tussen het maximaal creëren van groei en jobs en de financiële houdbaarheid van ons stelsel van sociale zekerheid.

Reactie:
De uitgaven voor de pensioenen nemen pijlsnel toe onder invloed van twee verschijnselen: enerzijds de babyboomers en de vrouwen die de pensioenleeftijd bereiken en anderzijds de toenemende levensverwachting. In 50 jaar tijd is de gemiddelde duur van een pensioen van 8 naar 20 jaar gestegen. Gepaard gaand met een nog steeds te vroeg vertrek uit het beroepsleven legt dit een hypotheek op de groeimogelijkheden van de toekomstige generaties. Zij zullen niet in staat zijn de kosten voor verschillende generaties te dragen. 

De kosten van de vergrijzing (voornamelijk de pensioenen en de gezondheidszorg) stemmen momenteel overeen met 26 % van het BNP. Dit cijfer zal in 2060 tot 31 % van het BNP oplopen, of een derde van de toegevoegde waarde gecreëerd door het particuliere bedrijfsleven. Deze toename is voornamelijk te wijten aan de pensioenen waarvan de kosten van 11 naar 15 % van het BNP zullen stijgen tussen 2014 en 2060, met een sterke versnelling in de vijftien komende jaren. De globale kostprijs uitgedrukt in de euro van 2014 van de pensioenen (tot in 2060) zal zowat 1.500 miljard euro bedragen, of drie keer het BNP of ongeveer 45 keer de totale opbrengsten van de personenbelasting. 

Een inkrimpende beroepsbevolking kan niet het hoofd bieden aan deze toenemende kosten voor de niet-werkende bevolking. En een gemakkelijkheidsoplossing enkel zoeken bij het verhogen van de bijdragen om de verwachte vergrijzing van de bevolking te financieren is uit den boze. Maar evenmin kan men zich beperken tot het overdragen van diezelfde kosten voor de vergrijzing op de gepensioneerden door hun pensioenen te verlagen.

Wat kan er dan wel ?

Essentieel om de financiële leefbaarheid van de wettelijke pensioenen op lange termijn te garanderen is het realiseren van een maximale tewerkstelling. Hierbij moeten we volop inzetten op een verhoging van de werkzaamheidsgraad: meer mensen aan de slag in gemiddeld langere loopbanen, maar ook in meer werkbare jobs. Daarbij moet arbeidsorganisatorische innovatie veel hoger op de agenda worden gezet, zodat langer werken voor zoveel mogelijk mensen, fysiek en psychisch, een haalbare optie wordt. En aansluitend daarbij moeten er concrete positieve maatregelen genomen worden om langer werken mogelijk te maken: 

Dit veronderstelt onder meer:

  • gelijke kansen op de arbeidsmarkt;
  • sensibilisering en ondersteuning van werkgevers om in te zetten op oudere werknemers;
  • mogelijkheid tot aangepaste arbeidsomstandigheden;
  • mogelijkheid tot combineren arbeid en privéleven, 
  • voldoende kansen om opleidingen te volgen en zich te heroriënteren, zonder dat dit nadelig is voor het pensioen;

Lonen en uitkeringen mogen niet extra belast worden door de vergrijzing. Een uitbreiding van de financieringsbasis die de ontvangsten van het globaal beheer van de sociale zekerheid vastlegt, moet evenwel de hoofdbron van deze financiering zijn. Daarbij moet voorop staan dat bijgedragen wordt naar draagkracht. De sterkste schouders moeten worden aangesproken om de zwaarste lasten te dragen :

  • De huidige alternatieve financiering moet versterkt worden.
  • Het is cruciaal dat de financiering van de sociale zekerheid rechtvaardiger verdeeld wordt over bijdragen op inkomsten uit arbeid en inkomsten uit vermogen.
  • Een belasting op beurs- en valutatransacties alsmede een meerdewaardetaks op aandelen moeten bespreekbaar zijn. 

En laten we ook niet vergeten dat :

  • het innen van sociale zekerheidsbijdragen betrekking moet hebben op alle elementen die het loon vormen;
  • de vermindering van de sociale en fiscale voordelen toegekend aan de tweede pijler en de fiscale voordelen toegekend aan de derde pijler vanaf het bereiken van een bepaald inkomstenniveau (degressiviteit) marges kan creëren om in de eerste pijler te investeren.

15. De solidariteitsbijdrage

De regering zal voor de berekening van de solidariteitsbijdrage de inaanmerkingname van de parameters onderzoeken.

Reactie:
De solidariteitsbijdrage kan behouden blijven onder voorwaarde dat de opbrengst ervan integraal ten goede komt van de laagste pensioenen. Wel is het redelijk om na vijftien jaar de fictieve rente berekend op het uitgekeerd kapitaal uit de tweede pijler, niet meer in aanmerking te nemen om het afhoudingspercentage van de solidariteitsbijdrage te berekenen.

Bovendien wijzen we de regering erop dat de fictieve rente nog steeds berekend wordt aan een rentevoet van 4,75 % hetgeen absoluut niet strookt met de echte rendementen.

16. Het aanvullend pensioen 

De fiscale behandeling van de opname van het aanvullend pensioen in rente en in kapitaal zal beter op elkaar afgestemd worden. 

De regering zal aan de sociale partners vragen om te onderzoeken in hoeverre een bepaald percentage van de loonstijgingen kan worden aangewend voor bijdragestortingen in aanvullende pensioenplannen, tot in elke sector een bijdrageniveau van minimaal 3% bereikt is. Daarnaast zal de werknemer zelf een vrij aanvullend pensioen in de tweede pijler kunnen opbouwen via inhoudingen op het loon, verricht door de werkgever. 

Reactie:
Sedert vele jaren verdedigen we de stelling dat er naast een zo sterk mogelijk wettelijk pensioen gebaseerd op repartitie, ruimte moet zijn voor een aanvullend pensioen gebaseerd op kapitalisatie. We zijn verheugd dat de Expertencommissie als uitgangspunt deze stelling bijtreedt en poneert “ dat op het niveau van de samenleving de beste financieringsstrategie voor een pensioensysteem bestaat uit een combinatie van repartitie en kapitalisatie”.

Aanvullende pensioenen moeten samen met de wettelijke pensioenen ervoor zorgen dat al onze gepensioneerden een inkomen hebben dat hun toelaat om volwaardig te blijven participeren in onze samenleving. We vinden het ietwat bevreemdend dat de regering aan deze tweede pijler eerder weinig aandacht besteedt in het regeerakkoord. En ook de expertencommissie laat na om dit thema grondig uit te werken.

De evolutie van de aanvullende pensioenen zou volgende elementen moeten bevatten :

  • De tweede pensioenpijler moet veralgemeend worden of minstens heel sterk aangemoedigd waardoor iedereen die werkt, gedekt is voor minimaal een percentage van 3% van het loon;
  • Loononderhandelingen waarbij een deel van de loonmarge aangewend wordt voor het aanvullend pensioen moeten gestimuleerd worden;
  • Daarnaast zou de werknemer zelf een vrij aanvullend pensioen in de tweede pijler moeten kunnen opbouwen via inhoudingen op het loon, verricht door de werkgever.
  • Aangezien voor KMO’s en zwakke sectoren de gevraagde inspanning voor de tweede pijler een zware druk kan leggen op de loonlasten, is een ruime mate van solidarisering aangewezen;
  • De opbouw van rechten in de tweede pensioenpijler moet kunnen rekenen op het behoud van een gewaarborgd minimumrendement.
  • Uitgaande van de vaststelling dat de wettelijke en de aanvullende pensioenen moeten volstaan om een comfortabel maandelijks inkomen te verzekeren zou de uitbetaling vanuit de tweede pijler onder de vorm van kapitaaluitkeringen dienen beperkt te worden (tot bv 1/3; minstens zou de uitbetaling in kapitaal fiscaal minder interessant gemaakt worden;
  • Omwille van een grotere overzichtelijkheid moet onderzocht worden of de derde pijler (pensioensparen) niet zou kunnen geïntegreerd worden in de tweede pijler van de aanvullende pensioenen.

Sitemap - Vief Limburg vzw 2017 - info.limburg  vief.be - Site door Faromedia